Sint-Catharinadal. Archeologie, bouwhistorie en geschiedenis

G. van den Eynde (red.), Het klooster Sint-Catharinadal. Archeologie, bouwhistorie en geschiedenis, Carmiggelt uitgeverij/drukwerkverzorging Den Haag, gemeente Breda 1995, ISBN 9080153869, 72 blz.

In 1993 en 1994 heeft een grootschalig archeologisch onderzoek plaatsgevonden in en rondom de Kloosterkazerne te Breda. Dit gebouwencomplex herbergt de sporen van het oudste middeleeuwse klooster van de stad: Sint Catharinadal. Naast het archeologisch onderzoek vond ook een uitgebreid bouwhistorisch onderzoek plaats. Aanleiding waren de bouw van het nieuwe Chassétheater en de plannen voor de herinrichting van de Kloosterkazerne tot casino. In dit boek wordt een overzicht gegeven van de resultaten van dit onderzoek naar de bouw- en bewoningsgeschiedenis van het kloostercomplex. Sint Catharinadal was een vrouwenklooster dat aan de norbertijnerorde behoorde. Het boek is rijk geillustreerd. In hoofdstuk 1 van het boek wordt het ontstaan van de norbertijnerorde behandeld. Daarvoor wordt helemaal teruggegaan naar het onstaan van het christelijk kloosterwezen in het Egypte van de 3e eeuw. Gelovigen trokken zich terug in de woestijn om in ascese te leven. De bekendste kluizenaar was de heilige Antonius (ca. 250-356). Er ontstonden leefregels, die later in het westelijk deel van Europa werden aangepast door Benedictus van Nursia (gest. 543) toen hij op Monte Cassino een gemeenschap van monniken stichtte. Zo ontstond de regel van Benedictus die tot in de 11e eeuw door praktisch alle kloosters in West-Europa werd gevolgd. Bij die kloosters waren lokale machthebbers nauw betrokken. Ook traden veel kinderen uit adellijke families in de kloosters in. Vele kloosters werden in de loop der tijd dan ook schatrijk. Als reactie daarop ontstonden aan het eind van de 11e eeuw en in de loop van de 12e eeuw drie nieuwe kloosterorden: de kartuizers, de cisterciënzers en de augustijner kanunniken.

De Augustijnen kozen er voor te leven volgens de voorschriften van de kerkvader Augustinus (354-430). Binnen de augustijnerorde ontstonden geleidelijk verschillende groeperingen. Een daarvan is gevormd rond het klooster van Prémontré nabij het Franse Laon. Dit klooster werd in 1120 door Norbertus van Gennep gesticht. De Regel van Norbertus werd in 1126 door de paus goedgekeurd. De volgelingen van deze Regel staan bekend als premonstratenzers of norbertijnen. Ze groeiden in de loop van de 12e eeuw uit tot een van de meest succesvolle kloosterorden. Ze bezaten vestigingen over heel Europa. De norbertijnerorde stond ook open voor vrouwen. De nonnen werden ondergebracht in aparte, van de abdij afhankelijke priorijen. De eerste vestiging van norbertijnen in Noord-Brabant vond plaats te Berne (bij Heusden) in 1134. Hoofdstuk 2 van het boek doet het verhaal van de overgang van de norbertinessen van Wouw naar Breda. In 1271 was het klooster Sint-Catharinadal in Wouw gesticht door Servatius van Breda, volgens het verhaal ten behoeve van zijn zeven dochters. Het klooster stond onder de bescherming van de heer van Breda. Mogelijk hebben zich ook nonnen in Wouw gevestigd vanuit het klooster te Zandvliet, een priorij van de Sint Michielsabdij te Antwerpen.

Centraal stond het koorgebed: metten, priem, terts, sext, nonen, vespers en completen, aangevuld met missen en meditatie. Dat alles moest leiden tot een gelukzalige toestand in het hiernamaals. Handenarbeid werd verricht door lekezusters, knechten en meiden. De koorzusters kozen uit hun midden een priorin. In geestelijke zaken werd ze bijgestaan door een proost als vertegenwoordiger van vader-abt. Als gevolg van overstromingen zochtten de zusters in 1295 onderdak in Breda. Ze woonden voorlopig in het Gasthuis, dat juist buiten de stadswal aan de Bosstraat lag. Hoofdstuk 3 vertelt hoe het nieuwe klooster is ontstaan. In 1308 vertrokken de zusters uit het Gasthuis naar hun nieuw gebouwde klooster even verderop net buiten de stad op een wat hoge dekzandrug. Via een brug over de stadsgracht en langs de Gevangenispoort kon men in de stad komen. Het gebied waar het klooster is gebouwd was voordien in gebruik als wei- if akkerland. Bij het onderzoek kwamen sporen van greppels en akkers aan het licht. Het klooster lijkt volgens een vierkant grondplan te zijn gebouwd. Aan de noordzijde bevond zich de kerk. Het kerkgebouw, dat nog overeind staat, is opgericht tussen 1500 en 1502. Bij de opgravingen zijn fundamenten van een 14-eeuwse voorganger teruggevonden, een zaalkerk met de kenmerken van de Romaanse bouwstijl. Deze oudste kerk wordt in de archieven voor het eerst vermeld in 1314 en was gewijd aan de heilige Catharina. Pal tegen de kerk lag een grote westvleugel, daarmee later door een kloostergang verbonden. Aan de oost- en zuidzijde werd het kloostercomplex van Sint-Catharinadal afgescheiden door een kloostermuur. Daardoor ontstond een pandhof, die aanvankelijk als begraafplaats is gebruikt. Bij het onderzoek zijn ook begravingen aangetroffen in de kloostergang en de kerk. Naast het klooster heeft een vijver gelegen, mogelijk een visvijver.

De nonnen waren voor een belangrijk deel afkomstig uit de gegoede burgerij van Breda. Door het ontbreken van een proost was het klooster vrij zelfstandig. De belangrijkste inkomsten van het klooster kwamen uit pachtopbrengsten en donaties. Het vierde hoofdstuk van het boek beschrijft de bloeitijd van Sint-Catharinadal van 1463 tot 1531. In 1463 werd een ingrijpende kloosterhervoming in Sint-Catharinadal ingevoerd. Afschaffing van het privebezit en vernieuwing van het kloosterslot stonden daarbij centraal. Acht zusters schikten zich in de nieuwe orde. Op de kloostertucht werd toegezien door middel van visitaties vanuit andere abdijen. Ook de Heer van Breda ging zich meer met het klooster bemoeien. Hij controleerde bijvoorbeeld de rekeningen. De hervorming miste haar doel niet en het aantal zusters begon weer te stijgen tot circa 30 in het begin van de 16e eeuw, al waren onder hen vanwege het verbod van privebezit steeds minder vrouwen van adellijke afkomst. Ook financieel en economisch ging het Sint-Catharinadal weer voor de wind, ook al vanwege de belastingvrijheid die het klooster genoot en die wel steeds meer een wrijfpunt met het stadsbestuur zou vormen. Het groeiend aantal zuster en de terugkeer van een proost maakten aanpassing van het kloostergebouw noodzakelijk. Er werden verschillende gebouwen toegevoegd, zoals de refter, de keuken, het ziekenhuis, de kapittelzaal en de schrijfkamer. Ook werd een nieuwe proosdij gebouwd. Hoogtepunt vormde de bouw van de nieuwe kerk tussen 1498 en 1502 in de stijl van de Brabantse gotiek. Bouwmeester was Cornelis Joos, die in die tijd ook aan de Grote Kerk van Breda werkte. De nieuwe kloosterkerk bestond uit zeven traveeën en bezat een eenvoudig zadeldak zonder toren, maar wel met een dakruiter. De vier westelijke traveeën waren aanvankelijk in een boven- en onderkerk verdeeld (een dubbelkerk wordt zo’n kerk genoemd), zodat er sprake was van een ‘nonnengalerij’, afgescheiden van de rest van de kerk. Het oospronkelijke interieur van de kerk is door opeenvolgende verbouwingen vrijwel onherkenbaar geworden. Het vijfde hoofdstuk gaat over de nadagen van Sint-Catharinadal: 1531-1647. Deze geschiedenis is meer bekend uit andere boeken. Sint-Catharinadal heeft in deze periode erg te lijden van de uitbreiding van de vestingstad Breda, van een stadsbrand, van de godsdienststrijd in de loop van de 16e eeuw en van de Tachtigjarige Oorlog. Deze rampzalige gebeurtenissen betekenden bijna het einde van Sint-Catharinadal en leidden uiteindelijk tot het vertrek van de norbertinessen uit Breda in 1647. Ze vestigden zich in Oosterhout in het kasteeltje ‘De Blauwe Camer’. Na aankoop daarvan werd er omheen een eenvoudig klooster aangelegd, waarbij het kasteeltje als proosdij dienst ging doen. De nonnen van Sint-Catharinadal wonen hier tot op de dag van vandaag. Het zesde hoofdstuk, dat de ontwikkeling van klooster tot kazerne beschrijft in de periode 1747 tot 1993, is ook hoogst interessant, maar voor ons doel minder relevant, zodat ik het hier niet verder aan de orde stel. Het boek is in ieder geval te leen in de bibliotheek Theek 5 in Oosterhout.

29 januari 2007 / Jan van den Bosch.