Het norbertinessenklooster Sint-Catharinadal in de Staatse periode 1625-1795

Sponselee-de Meester, M.T.A.R., Het norbertinessenklooster Sint-Catharinadal in de Staatse periode 1625-1795. Portret van een religieuze vrouwengemeenschap in benarde tijden, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2003, ISBN 90 6550 784-1, 332 blz., ook verschenen als proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen

 

Een toegankelijk boek met vele afbeeldingen en statistieken en ook een lijst met alle priorinnen uit de beschreven periode. De rijke historie van het klooster Sint-Catharinadal is wel bekend. Zij begon in 1271 in Vroenhout bij Roosendaal. In 1295 verhuisden de norbertinessen noodgedwongen naar Breda, waar Sint-Catharinadal ruim 350 jaar het stadsbeeld mede bepaalde. In 1647, tien jaar na de overname van Breda door de Staatse troepen, streken de Norbertinessen neer in het kasteeltje de Blauwe Camer in Oosterhout, waar zij tot op de dag van vandaag een contemplatief leven leiden. In haar boek beschrijft Trees Sponselee alle facetten van het dagelijks leven van de norbertinessen, zowel in materieel als in geestelijk opzicht, en hun relatie met de heren van Breda en via hen het Huis van Oranje. Proosten, priorinnen en overige religieuzen waren het lang niet altijd met elkaar eens, maar hadden wel steeds hetzelfde doel voor ogen: het behoud van een zelfstandig Sint-Catharinadal. Na hoofdstuk 1 met inleiding en doelstelling gaat hoofdstuk 2 over de voorgeschiedenis van Sint-Catharinadal tot 1625. Vanaf zijn stichting in 1271 heeft het klooster in de belangstelling gestaan van de Heren van Breda en het latere Huis van Oranje-Nassau. Omdat het klooster ver weg was gelegen van de moederabdij  waren het de Heren van Breda die mede toezagen op het reilen en zeilen van het kleine convent, of het nu was in de vorm van financiele ondersteuning, de doorvoering van kloosterhervormingen of het garanderen van tolerantie voor de uitoefening van de katholieke godsdienst. Daarnaast hebben de norbertinessen op allerlei manieren geprobeerd hun klooster in stand te houden door zelfredzaamheid, visie en standvastigheid. Het kwam regelmatig voor dat het convent het moest doen zonder de geestelijke zorg van een proost. Op die momenten werd het klooster bijeen gehouden door vaak krachtige priorinnen. Sinds de beeldenstorm in 1566 en de vele wisselingen van de macht in Breda in de jaren daarna hadden de religieuzen geen greep op hun eigen toekomst. Over hun hoofden heen werd door de Staten-Generaal over het lot van het klooster beschikt. Daar kon zelfs de bescherming van het Huis van Oranje-Nassau niets aan veranderen.

De verovering van Breda door de Spanjaarden in 1625 betekende op dat moment (er was toen nog maar een norbertines over) de ommekeer voor de levenskansen van Sint-Catharinadal. Hoofdstuk 3 van het boek gaat over de leiding en de zielzorg in Sint-Catharinadal. In de periode 1625-1795 bestond de leiding van het klooster meestal uit sterke, maar niet altijd convergerende persoonlijkheden, schrijft Trees Sponselee. Hoe verschillend de karakters van alle betrokkenen ook waren, zij stonden allemaal het welzijn en het voortbestaan van Sint-Catharinadal voor. In dit hoofdstuk is gekeken naar de manier van keuze en installatie van de priorin en de proost. De stemgerechtigde religieuzen kozen uit hun midden een nieuwe priorin. Zij diende in alles het goede voorbeeld te geven aan de overige norbertinessen. Ze was van een aantal huiselijke taken ontheven om zoveel mogelijk tijd te kunnen besteden aan het geestelijk en lichamelijk welzijn van haar onderdanen. De proost was afkomstig uit een van de norbertijnenabdijen van de Brabantse circarie. Hij was verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van de religieuzen en het beheer van het goederenbezit van het klooster. In dit hoofdstuk komen vooral priorin Petronella van de Kieboom en proost Josephus van der Malen naar voren. Dat komt ook omdat Van der Malen zijn tweestrijd met de priorin uitvoerig heeft beschreven in zijn ?Historica?. Hoofdstuk 4 van het boek gaat eindelijk over de bewoners van Sint-Catharinadal. Met de komst van de Spanjaarden in 1625 mocht Sint-Catharinadal weer postulanten aannemen. In 1637 telde het convent weer ongeveer twintig religieuzen. Bij de herovering van Breda in 1637 door de Staatse troepen mocht het klooster opnieuw geen postulanten aannemen. Deze situatie duurde tien jaar. Door toedoen van Frederik Hendrik keerde het tij voor Sint-Catharinadal in 1647. Wanneer het klooster zou vertrekken uit de stad om zich elders in de Baronie te vestigen mocht het weer nieuwelingen aannemen. Toen begon dus de Oosterhoutse periode. In hoofdstuk 5 probeert Trees Sponselee het leven in Sint-Catharinadal te beschrijven. Ze belicht het hele traject van intreden tot sterven, de verschillende “rites de passage” die een norbertines gedurende haar religieuze leven meemaakte.

Daarnaast beschrijft ze ook de meer wereldse zaken zoals de dagelijkse manier van leven en werken van de norbertinessen om in hun eigen onderhoud te voorzien. Het geestelijk leven van de norbertinessen wordt onder andere belicht via hun liturgische dagorde en hun manier van geestelijke zelfontplooing. Hoe de kloostergeloften dienden te worden nageleefd was omschreven in de regels en statuten van de orde. Van slechts enkele norberinessen is bekend hoe zij deze geloften in de praktijk beleefden en naleefden. Hoofdstuk 6 gaat over het “thuis” voor de reliegieuzen. De kloostergebouwen in Breda boden genoeg ruimte en mogelijkheden voor de norbertinessen om hun contemplatieve leefwijze te onderhouden. De verhuizing naar Oosterhout, waar de religieuzen hun intrek namen in het kasteeltje de Blauwe Camer, vergde veel geld, inspanning en improvisatie. Een kerk mocht er niet worden gebouwd, zodat de norbertinessen hun godsdienstvieringen in een van de panden van het gebouw moesten houden. De bezittingen van Sint-Catharinadal werden gevormd door geld, goederen en landerijen. In hun dagelijks bestaan werden de norbertinessen bijgestaan door een aantal meiden en knechten. Gemiddeld genomen liepen in de onderzochte periode de inkomsten en uitgaven redelijk met elkaar in de pas. Hoofdstuk 7 handelt over de relatie van Sint-Catharinadal met de buitenwereld. Het klooster was als zelfstandige stichting opgenomen in de Orde van Prémontré en had enkel verantwoording af te leggen aan de generaal-overste van de orde. De relaties hadden zeer te leiden onder de politieke troebelen en oorlogen in de onderzochte periode, hetgeen onder meer blijkt uit het uitblijven van visitaties in Sint-Catharinadal. Wat de overheid betreft had Sint-Catharinadal vooral te maken met de lokale overheid (het stadsbestuur van Breda) en de milities. De relatie met het Oranjehuis is altijd als goed en van levensbelang ervaren, hoewel de sauvegardes van de Oranje-Nassaus niet altijd voldoende bescherming boden tegen de plakkaten van de Staten-Generaal. Aan deze onzekere tijd kwam pas een eind in 1796 met de afkondiging van de vrijheid van godsdienst en gelijkstelling van alle kerkgenootschappen door de Nationale Vergadering. Het boek is onder meer te leen bij de bibliotheek Theek 5 in Oosterhout.

18 november 2006/Jan van den Bosch