Benedictinessen in Oosterhout

Benedictinessen in Oosterhout. De kloostergemeenschap van de Onze Lieve Vrouwe abdij, Boekmakerij/uitgeverij Luyten, 1984, Amstelveen, ISBN 9064160678, 132 blz.

Het monastieke leven is als een boom, geplant aan levend water (psalm 1) , diep geworteld in een eeuwenoude traditie, de takken wijd-uitgestrekt in de ruimte, als het ware reikend naar de hemel, de stam, waardoorheen de levenssappen circuleren, als de verbinding tussen de humus van het menselijk bestaan en dat wat boven is. Zo opent abdis zr. Agnes van Griensven dit inspirerend boek namens de monialen van de Onze Lieve Vrouwe abdij. Het boek is het product van een boekmakers-collectief , dat de touwtjes in handen had, maar de zusters een maximum aan ruimte liet om er ons boekje van te maken.

In het hoofdstuk Geordend leven in benedictijnse vormen gaat G.C.M. Bak, minderbroeder, terug naar Benedictus en het ontstaan van zijn Regel. Ook vrouwen gingen een monastieke levensvorm volgen. Ze vonden daarin vrijheid van leven en ontwikkelingskansen. Gaandeweg werd de invloed van Benedictus Regel op het geordende leven van vrouwen groter en groter.

In de Reformatietijd verdwijnen echter alle vrouwenkloosters in ons land. Pas in de 19e eeuw herstelt zich het benedictijns kloosterleven. In dat kader valt ook het ontstaan in de vroege 20e eeuw van de abdij van Notre Dame in Oosterhout. Dom M. Mähler o.s.b. schetst vervolgens de geschiedenis van de abdij in Frankrijk. In 1837 herstelt een priester van het bisdom Le Mans, Prosper Guéranger, de monastieke observantie in de leegstaande Priorij van Solesmes. In 1866 sticht hij voor Cécile Bruyère en enkele andere kandidaten te Solesmes een klooster voor benedictinessen. De geestelijke vorming die Cécile Bruyère als eerste abdis aan haar dochters gaf is terug te vinden haar “La Vie spirituelle et l’Oraison d’après la Sainte Ëcriture et la tradition monastique”.

In 1888 telde de communiteit reeds 75 leden. Besloten werd tot een stichting te Wisques. In 1901 nam het Franse parlement een wet aan bedoeld om aan kloostergemeenschappen het bestaansrecht te ontnemen. Abdis Bernard week met haar zusters uit naar Nederland. Als nieuwe huisvesting werd het kasteel Bouvigne in Breda te klein bevonden. Het landhuis Vrede-oord aan de Zandheuvel in Oosterhout, waar eerder een jongenspensionaat in was gehuisvest, maakte al direct een gunstige indruk Op 24 september 1901 was de gehele communiteit van Wisques in Vrede-oord verenigd. In 1903 klopten nóg 18 benedictinessen uit een ander Frans klooster op de poort in Oosterhout. Door deze aanwas werd uitbreiding van de gebouwen noodzakelijk, waarmee al in 1905 een aanvang werd genomen. Op 10 april 1907 kwamen ook de monniken uit Wisques in Oosterhout aan.

Een hoogtepunt was hierna de wijding van de nieuw-gebouwde kerk op 17 oktober 1911. Deze kerkwijding, tien jaar na het vertrek uit Wisques, was de bekroning van het moeizame werk dat door Abdis Thérèse Bernard was ondernomen. Na de Eerste Wereldoorlog konden de uitgeweken Franse zusters weer naar Frankrijk terugkeren. Een grote groep deed dat ook, maar er bleven ook zusters in Nederland om samen met de inmiddels ingetreden Nederlandse zusters een zelfstandige priorij te vormen. Dat gebeurde in 1919 en in 1924 kreeg de priorij de status van zelfstandige abdij. Mère Hildegarde Lamy de la Chapelle werd eerst priorin, later abdis. Abdis Thérèse Bernard keerde, als abdis, met haar convent naar Wisques terug.

Dom Mähler beschrijft in dit hoofdstuk verder nog gedetailleerd de periode vanaf de eerste wereldoorlog tot aan de nieuwbouw in 1982. In het hoofdstuk Structuren beschrijft zr. Laurentia de Jong o.s.b. externe en interne structuur van de Onze Lieve Vrouwe abdij. Van oorsprong behoorde de beide Oosterhoutse abdijen tot de Congregatie van Solesmes. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd een Nederlandse Congregatie gevormd. Leden waren de abdijen van Oosterhout, Egmond en Slangenburg. De Onze Lieve Vrouwe abdij werd als enig vrouwenklooster daarin opgenomen. Heel mooi is het hoofdstuk Ora et Labora van Hein Stufkens. Anders dan buiten het klooster, waar de 8-urige werkdag of misschien zelfs wel de 24-uurs-economie de dag bepalen, geldt daarbinnen het gebed als structuurbeginsel. Voor het leiden van een kloosterleven is dan ook een andere levensinstelling vereist dan daarbuiten. Die levensinstelling wordt gedurende een heel kloosterleven beproefd en stukje bij beetje verworven. Grote steun daarbij is natuurlijk de Regel van Benedictus. In het hoofdstuk Leven in gemeenschap laat Hein Stufkens de zusters antwoorden op de vraag waarom zij het leven in gemeenschap zo belangrijk vinden. Er volgt een scala van antwoorden, maar alle overwegingen hebben als uitgangspunt: het zoeken van God. Leven in afzondering hoort per definitie tot haar leven, schrijft zr. Gbriël van der Hulst o.s.b. in het gelijknamige hoofdstuk.

Benedictus hield de monniken al voor dat alle handgrepen om goed te handelen moeten gebeuren in de beslotenheid van het klooster en het bestendig verblijf in de gemeenschap. Het boek wordt besloten met een hoofdstuk over de Gebouwen van de hand van archirect ir. F.J.C. Ruys. Het boek wordt gelardeerd met de weerslag van een tweetal gesprekken met een zuster, met de tekst van de avonddienst op het feest van de H. Scholastica en met vele foto’s. Opmerkelijkste is wel die uit 1924 van abdis-stichteres Thérèse Bernard naast de kort tevoren tot haar opvolgster gekozen abdis Hildegarde Lamy de la Chapelle. Je kunt aan haar gelaatsuitdrukking zien dat ze tevreden is over haar levenswerk.

11 december 2006/Jan van den Bosch